Klaus Müller © km@kmlink.net www.kmlink.net
Homepage: www.kmlink.net
|
Wetenschap, seks en macht Klaus Müller ©
In: De onrust van Europa. Ed. by W.T. Eijsbouts and others. Amsterdam, Amsterdam University Press 1993. [Science, Sexuality and Power. In: The Anxiety of Europe.] "So tauml ich von Begierde zu Genuß, Und im Genuß verschmacht ich nach Begierde." Goethe, Faust I Een van de grote veroveringen van de Europese wetenschap uit de vorige eeuw is het gebied van de seksualiteit. Het is een bestendige verovering gebleken; tot de dag van vandaag zien Europeanen seksualiteit in de traditie van de seksuologie van de 19de eeuw. Nog steeds bepalen natuurwetenschappelijke methodes, met hun nadruk op de lichamelijke functies, het onderzoek van seksualiteit. Ook sociaal-empirisch onderzoek steunt vaak op deze opvatting van seksualiteit als biologisch fenomeen en biedt nauwelijks plaats voor de erkenning van haar historische en culturele karakter; ze wordt als een universeel verschijnsel begrepen, met een statische 'natuur' als fundament. Dit is paradoxaal. 'Europa' is immers bij uitstek een historisch en sociaal product. 'Europa' is dynamisch, niet statisch; westers, niet universeel; bepaald door de geschiedenis en niet gedefinieerd door een gegeven 'natuur'. 'Seksualiteit' daarentegen is een lichamelijke functie, bepaald door hormonen en driften, quasi een 'sens génétique' (Moreau), een natuurlijk instinkt. Pas sinds de jaren zeventig van deze eeuw ontstond in de sociologie en de geschiedswetenschap een heroriëntatie van het onderzoek op het gebied van de seksualiteit. In de feministische kritiek werd de constructie van 'gender' onderzocht. Mede door het werk van Michel Foucault en de door hem geinspireerde constructivistische seksualiteitstheoriëen werd de verwetenschappelijking van de seksualiteit als een historische constructie zichtbaar gemaakt.
WETENSCHAP Drie ontwikkelingen aan het eind van de 19de eeuw bepalen tezamen de situatie: de opkomst van de seksuele pathologie eind 19de eeuw; de koppeling van seksualiteit en identiteit in samenhang met de scheiding van normale en perverse seksualiteit; de export van de Europese seksualiteitsopvatting.
1) Scientia sexualis Het is niet vanzelfsprekend dat seksualiteit het onderwerp is geworden van een wetenschappelijke discipline. Ook in Europa niet. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werd de seksuele mens tot onderwerp van een eigen rationeel-wetenschappelijk discours. De brede maatschappelijke discussie over de gevolgen en gevaren van de onanie in de late 18de eeuw en over de prostitutie in de eerste helft van de 19de eeuw namen weliswaar een voorschot, maar de biologie noch de medische wetenschap of de psychiatrie maakten zich in de vroege 19de eeuw de minste zorgen over de seksualiteit. Met de vooruitgang van de natuurwetenschappen, vooral de biologie en de medische wetenschap, namen de wetenschappers echter in het 19de eeuw in vele opzichten de autoriteit van de theologen over. De doctrine van het empirisch positivisme legde de basis voor een 'wetenschappelijke benadering' van sociaal-historische verschijnselen. Cultuur, dus ook seksualiteit en de rol der geslachten werd in het 19de eeuw toenemend met natuurwetenschappelijke modellen verklaard. Evolutie- en degeneratietheorien van Darwin, Morel, Magnan en Gobineau legden de grondslag voor nieuwe opvattingen van de 'mensmachine'. Alcoholisme, prostitutie, criminaliteit of seksuele afwijkingen werden niet langer als maatschappelijke fenomenen gezien maar als uitwerking van de wetten van de natuur. Het fundament van deze biologisering van de seksualiteit werd in de tweede helft van de 19de eeuw gelegd met de ontwikkeling van de seksuele pathologie als nieuwe wetenschappelijke discipline. Voortgekomen uit de medische wetenschap, de biologie en de psychopathologie, was de seksuele pathologie de bastaard van het empirisch positivisme. Niemand vond het vanzelfsprekend dat de heren wetenschappers zich over een zo smaakloos en immoreel onderwerp als de seks gingen buigen. Ook zelf konden de wetenschappers hun belangstelling voor deze enigzins donkere menselijke behoefte alleen legitimeren met de verwijzing na de 'grote betekenis en de grote gevaren' van de seks voor het individu en de maatschappij. Toch werd de wetenschap de plaats om de 'waarheid over de seksualiteit' uit te zoeken en waar mogelijk preventieve programma's te ontwikkelen.
Tot de eeuwwisseling konden de seksuele pathologen zich als de nieuwe autoriteit op het gebied van de menselijke seksualiteit handhaven. Beslissende thema's in de tweede helft van de 19de eeuw waren de afwijkingen, de seksuele hygiene, de prostitutie. Tussen 1869 en 1900 kwam de seksuele pathologie eerst langzaam, vervolgens explosief op gang. Vooral in Duitsland en Oostenrijk (Berlijn en Wenen) en in Franrijk (Parijs) kwam het tot een ware golf van medische publicaties over de 'perversies'. Lasèque was in 1877 de eerste die van 'exhibitionisme' sprak, Binet was in 1887 de auteur van het 'fetichisme', in 1869 waande zich de Duitser Westphal de ontdekker van de 'homoseksueel' en de Oostenrijker Richard von Krafft-Ebing droeg met de spraakmakende uitvinding van het sado-masochisme rond 1890 zijn deel bij aan het begripscarroussel van de seksuele perversies. Krafft-Ebings 'Psychopathia sexualis' - in 1886 voor het eerst gepubliceerd en vervolgens bijna jaarlijks opnieuw en dikker heruitgegeven - zou hét standaardwerk worden van de nieuwe wetenschap. Zoals alle werken op dit terrein was de 'Psychopathia sexualis' een mengsel van een taai theoretisch deel en een deel 'empirische' bekentenissen, meestal geschreven door de 'perverten' zelf. Het theoretische kader werd bepaald door de medische classificaties en beschrijvingen van de perversies die vooral gericht waren op de opbouw van een seksuologisch-medische terminologie. De empirische bekentenissen waren intieme biechten van de 'vita sexualis' welke in een niet te onderschatten wijze bijdroegen tot een snelle verspreiding van de nieuwe theorieën bij het algemeen publiek. Ongekend open en tot in de kleinste details werden seksuele daden, dromen en verlangens beschreven. Alleen het 'misverstand' dat de seksuele pathologie tot de medische wetenschap moest worden gerekend maakte het in die tijd mogelijk dat deze medische pornografie zonder censuur gedrukt kon worden. De 'perverse' heeft in belangrijke mate aan deze seksuele orde bijgedragen door zichzelf te (laten) identificeren als een afwijking, in het geval van homoseksuelen als een 'derde geslacht'. Zijn biecht is een onmisbaar element in het vinden van de 'waarheid over de seks'. Vooral in Duits- en Franstalig gebied verschenen voor de eeuwwisseling veel werken, maar ook in andere landen bevonden zich zeer actieve auteurs. Veel werken werden vertaald. De seksuologen waren zeer Europees van gedachte. Zij organiseerden talloze congressen en recenseerden wederzijds hun werken: Lasèque, Binet, Moreau in Frankrijk, Krafft-Ebing, Hirschfeld, Westphal, Albert Moll en Ivan Bloch in Duitsland en Oostenrijk, Mantegazza en Lombroso in Italië, Tarnowsky in Rusland, von Römer en Aletrino in Nederland, Carpenter en Havelock Ellis in Engeland. Naast de belangstelling van het publiek voor de sappige seksuele detailopnames van de perverselingen was de snelle verspreiding van de nieuwe terminologie in heel Europa opzienbarend. Binnen enkele decennia werden oude begrippen zoals sodomie, nymfomania, 'Wollust' of pederastie voor medische categorieen ingeruild. Heel Europa leerde nieuwe begrippen en concepten zoals homoseksualiteit, sadisme, masochisme, exhibitionisme kennen - begrippen die gemakkelijk te vertalen waren en die wij Europeanen nog steeds als vanzelfsprekend gebruiken. De nieuwe seksuele orde in Europa was een wetenschappelijke orde (en taal) geworden, de scientia sexualis werd de belangrijkste instantie om de 'waarheid over de seks' te verkondigen.
2) Seksualiteit als centrum van de (perverse) identiteit. De beslissende verandering die de seksuele pathologie introduceerde werd de seksuele (perverse) identiteit. Seksuele handelingen die buiten het huwelijk en niet in dienste der voortplanting plaatsvonden werden niet langer als amorele of vluchtige handelingen gezien, maar als expressie van een gestoorde - en in het 19de eeuw gedegenereerde - identiteit. De homoseksueel als belangrijkste figuur in dit perverse panopticon onderging deze verandering het meest ingrijpend. "The nineteenth-century homosexual became a personage, a past, a case history, and a childhood, in addition to being a type of life, a life form, and a morphology, with an indiscreet anatomy and possibly a mysterious physiology. Nothing that went into his total composition was unaffected by his sexuality. /.../ It was consubstantial with him, less as a habitual sin than as a singular nature. /.../ The sodomite had been a temporary aberration; the homosexual was now a species."
De 19de eeuw werd beheerst door de scheiding tussen het normale en het abnormale, de fysiologie en de pathologie. De 19de eeuwse seksuele pathologie kende echter geen seksuele fysiologie, enkele morele uitgangspunten nagelaten. Pas na de eeuwwisseling, met het werk van Ivan Bloch en Albert Moll, ontdekte de seksuele pathologie de 'normale seksualiteit' en ontwikkelde zij zich tot de seksuologie. De scientia sexualis nam echter haar grondopvattingen over seksualiteit over van de pathologie: de biologisering der geslachtsrollen, de dichotomie homo- en heteroseksualiteit, de conceptie van een autonome seksuele 'drift', de normatieve periodisering van de seksuele ontwikkeling. 3) Europese civilisatie - exotische natuur. In de negentiende eeuw, toen Europa de eigen sexualiteit aan het verwetenschappelijken was, was het al gebruikelijk om niet-Westerse delen van de wereld als andere seksuele culturen te categoriseren en met behulp van onze seksuele 'bril' te bekijken. De koloniale etnologie en de volkenkunde zagen het als een van hun normale taken om over de seksuele zeden van de 'wilden' te berichten, keurig met het instrumentarium van de toenmalige wetenschappelijke civilisatie. De koloniale archieven bewijzen dit met een overvloed aan foto's en precieze metingen van geslachtsdelen en borsten. Camera en meetlat waren immers de belangrijkste empirische bewijsmiddelen die de etnologie hanteerde. In feite deden de mannelijke wetenschappers niets anders dan de ontdekkingsreizigers, die vanaf de zestiende eeuw met hun verhalen over 'zondige en abominabele praktijken' een belangrijke bijdrage aan de definiering van "de wilde" hadden geleverd. Vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw verschenen talrijke studies over het seksuele gedrag van niet-Europese volkeren en werden seksuele zeden, praktijken en taboes als belangrijke culturele sleutel gehanteerd. In de westerse projecties kreeg de 'wilde' en zijn/haar 'primitieve' seksualiteit een dubbele rol: in een wetenschappelijk perspectief leek zijn/haar seksualiteit het symbolisch bewijs voor de hogere 'Westerse civilisatie', in de literaire verbeelding domineerde juist de fascinatie door de 'sensuele natuurmens'. De Europese literatuur en schilderkunst exploreerde dit verlangen naar het 'exotische' en de gebieden buiten de 'beschaving'. Het Oriënt (alswel het Zuiden), aldus Edward Said, is in een Europese imaginaire geografie minder een plaats dan wel een topos.
Tot ver in het 20de eeuw hield de antropologie bij het onderzoek van de seksuele zeden van niet-westerse culturen aan westerse categorieën vast. De nieuwe Europese scientia sexualis diende daarbij als vanzelfsprekende bril. Men besefte de culturele beperking en eenzijdigheid van deze zienswijs niet.
POLITIEK Zo heeft de Europese seksuologie in de laatste twee eeuwen een indrukwekkende hoeveelheid kennis rond de seksuele mens opgebouwd. De wetenschappelijke kennis over seksualiteit was niet alleen normatief in een morele zin, maar bepaalde fundamentele collectieve opvattingen van wat seksualiteit is en welke betekenis zij heeft of zou moeten hebben. In het centrum van het seksuologisch Erkenntnisinteresse stond de 'seksuele afwijking': De norm konstitueerde zich vanuit het abnormale, de constructie van de homoseksuele en de vrouwelijke seksualiteit als afwijkend.
Een kritische reflectie der eigen episteme werd door de seksuologie niet aangegaan. De grens tussen het abnormale en het normale was hét fundament van de seksuologie die vanuit haar theoretische classificaties methodes en technieken tot een praktische controle ontwikkelde. Van kennis naar macht was het toen nog maar een stap. De theoretische orde van de 19de eeuwse seksuele pathologie, gericht op de etiologie, werd in de 20de eeuw verruild voor een technografie van de seks waarin preventie- en therapie ruim de aandacht kregen. Het 'abnormale' (vooral de mannelijke homoseksualiteit) werd tot doel van medisch-psychiatrisch operaties: castratie, elektroschock, hersenoperatie, psychiatrische of psychoanalytische therapien.
In het 20de eeuwse Europese denken kregen mogelijke gevaren van de seksualiteit een belangrijk plaats in discussies over bevolkingspolitiek, de openbare orde en publieke moraal, raciale ideologieën of maatschappelijke teleologieën. Deze dynamiek is niet verminderd, maar wel deels van richting veranderd. De opkomst van emancipatiebewegingen als die van de homoseksuelen en de vrouwen eind jaren zestig heeft duidelijk gemaakt, dat de vragen rond en over seksualiteit niet langer zonder meer aan de wetenschap worden overgelaten, maar tot cultuur en politiek worden gericht. Discriminatie op grond van geslacht of seksuele oriëntatie blijft inmiddels een belangrijk kenmerk van de Europese cultuur. Nog steeds sluiten de meeste Europese landen met uitzondering van Denemarken homoseksuelen en lesbische vrouwen van centrale burgerlijke rechten (huwelijk, adoptie, etc.) uit. Discriminatie van vrouwen wordt weliswaar juridisch tegengewerkt, maar de praktijk luistert naar andere regels. De confrontatie met AIDS heeft in een belangrijk maat ertoe bijgedragen om vragen rond seksualiteit in hun politieke, culturele en historische perspectieven duidelijk te maken. Sinds de jaren '60 is het maatschappelijke debat over seksualiteit van de wetenschap na de politiek verschoven. De seksuologie heeft haar vroeger onbetwiste autoriteit verloren.
Zoals gezegd was de scientia sexualis in sterke mate Europees, niet nationaal, van aard. Ook in de politieke benadering van seksualiteit kunnen sterke Europese elementen worden gereconstrueerd of hervonden, ook al ontbreekt hierbij nog vaak historisch onderzoek. Hierop zijn de volgende, besluitende, opmerkingen gericht. Een eerste opmerking betreft het verdwijnen van de Europese (nationale) grenzen. Vooral tijdens de eerste en tweede wereldoorlog was het heel gebruikelijk om bijvoorbeeld de perversies aan de vijand toe te schrijven. Homoseksualiteit was voor de Fransen 'le vice allemand', voor de Duitsers 'britse decadentie' en voor de Britten 'typisch Frans'. De kortstondige Franse premier Edith Cresson heeft weliswaar geprobeerd deze traditie een nieuw leven in te blazen, maar Europa is definitief veranderd: Ze maakte zich belachelijk met haar verwijzing over homoseksualiteit als typisch Brits trekje. Seksistische stereotypen onderlings worden door het toenemende Europese verkeer van personen gaandeweg onhoudbaar. In de Europese seksuele mythologie was de morele afkeer van het 'minder beschaafde' Europese buurland altijd verbonden met het verlangen naar juist de verlossing van de eigen seksuele beschaving. De Noord-Europeanen trokken naar Italië, Spanje of Portugal om hun protestantse of calvininistische moraal te ontvluchten en de 'natuurlijke' omgang met de geneugden van het lichaam in het warme Zuiden te ontdekken. Menig Zuid-Europeaan ontdekte later omgekeerd de bevrijding van de kleffe katholieke gezinsmoraal juist in het door de seksuele revolutie geteisterde Noorden. Vanaf de jaren '60 begon echter een duidelijke nivellering van de seksuele zeden in geografisch opzicht. Het tourisme, de mediatisering en de seksuele revolutie hebben concepties van seksualiteit die op nationaliteit steunen het fundament genomen. De grenzen van de 'beschaving' zijn van een nationaal na een Europees kader verschoven. Een tweede ontwikkeling, met de vorige in verband staande, is dat nationale of lokale opvattingen meer en meer vanzelfsprekend in een Europees verband ter discussie gesteld worden. Zo kreeg de Ierse behandeling van de abortuskwestie veel aandacht in de Europese pers, onder andere vanwege de vraag of de Ierse wetten niet in strijd met Europese regels zijn. Er is nog maar weinig begrip voor wanneer de specifieke Ierse geschiedenis wordt aangeroepen als argument voor deze eigen weg. De Ierse strafbaarstelling van homoseksualiteit werd dit jaar (1993) geschrapt in samenhang met een lopend onderzoek van het Europese Hof voor de rechten van de mens, ook de eilanden Jersey (1990) en Man (1992) moesten hun wetten met betrekking tot homoseksualiteit met blik op het Europese mensenrechtenverdrag aanpassen. Vooral op druk van haar Europese afdelingen stemde Amnesty International in 1991 ermee in, om homoseksuele mannen en vrouwen die vanwege hun seksuele orientatie worden vervolgd te vertegenwoordigen. De rechten en plichten van de mens met betrekking tot zijn/haar seksualiteit worden gaandeweg met Europese begrippen van individuele vrijheid en sociale gelijkheid verbonden - een verbinding die in de Verlichting niet werd getrokken. Ook de verhouding tussen de seksuologie en haar centrale objekt, de seksuele afwijking, is grondig veranderd. De verwetenschappelijking van homoseksualiteit vormde in de 20de eeuw lange tijd hét legitimatiekader van emancipatie alswel repressie van homoseksuele mannen en vrouwen. Een politiek debat werd tot de jaren '60 quasi vanzelfsprekend als wetenschappelijk debat gevoerd, met de etiologie als centrum. De wetenschappelijke constructie van homoseksualiteit is een sociaal-historische realiteit geworden, maar dan wel anders dan gedacht. Uit de species van de 'gedegenereerde homoseksueel' is sinds Stonewall, het begin van de tweede homo- en lesbobeweging, een collectieve homoseksuele identiteit ontstaan die de seksuologie haar medische en sociale autoriteit heeft ontzegd. In de Verenigde Staten heeft zich de gay and lesbian community in de jaren 80 na het voorbeeld van African-American en Jewish communities tot een invloedrijke politieke groep georganiseerd. Ook in Europa sticht homoseksualiteit een collectieve groepsidentiteit. Integratie, hét doel van de homobeweging in de jaren '70, werd gedeeltelijk door een toenemende tolerantie in de maatschappij bereikt. Het werd echter duidelijk, dat grotere tolerantie niet alleen integratie bevordert, maar ook verschillende seksuele (stads)culturen met een eigen economisch, geografisch en moreel structuur versterkt. De differentiëring in het beleven en interpreteren van seksualiteit en gender aan het eind van de 20de eeuw wordt vooral in stedelijke ruimtes duidelijk en laat de verwetenschappelijking van de seksualiteit en haar dichotomiën van mannelijkheid/vrouwelijkheid alswel homo/heteroseksualiteit achter zich. |